Actueel


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur



We houden u graag op de hoogte over de ontwikkelingen binnen
het straf(cassatie)recht.








Neem vrijblijvend contact op


Afroomboete ter ontneming

Op 27 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in 3 zaken, waaronder de zaken die bij de Hoge Raad bekend zijn onder S 24/00336 en S 21/02294, waarin de vraag aan de orde was of in een strafzaak verdachte een boete kan worden opgelegd ter grootte van het door de verdachte beweerdelijk uit het bewezenverklaarde feit genoten wederrechtelijk verkregen voordeel, terwijl de wetgever juist een aparte procedure in het leven heeft geroepen om dat voordeel van een verdachte te plukken, te weten de ontnemingsprocedure.

In cassatie is in beide zaken aangevoerd dat bij het opleggen van een aanzienlijke geldboete met als enig doel het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen het onderscheid tussen straf en maatregel vervaagt zodat dit daarom niet is toegestaan. Hierbij is een beroep gedaan op de mening van een aantal advocaten-generaal die dezelfde mening waren toegedaan. Zowel de materieelrechtelijke beperkingen die aan de oplegging van de ontnemingsmaatregel zijn gesteld als de procedurele waarborgen waarmee die oplegging is omringd, zouden immers dan eenvoudig kunnen worden omzeild. Daarbij moet worden bedacht dat de schatting van het voordeel in een ontnemingsprocedure slechts kan worden ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen (art. 511f Sv), terwijl voor het in aanmerking nemen van factoren in het kader van de straftoemeting voldoende is dat deze uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. Verder kan de betrokkene zich in de ontnemingsprocedure verweren tegen de ontnemingsvordering, die in de regel is gebaseerd op financiële rapportage. Die verweermogelijkheden zijn niet reëel en effectief in een situatie waarin de rechter in de strafzaak – zonder dat daarover ter terechtzitting een debat plaatsvindt – de geldboete oplegt met het primaire of zelfs uitsluitende doel om voordeel te ontnemen.

Overigens is wel aangevoerd dat oplegging van een zogenaamde afroomboete in het Nederlandse strafrecht mogelijk is, maar dat het noodzakelijk is dat de hoogte van de ontnemingsmaatregel wordt afgestemd op de afroomcomponent van de geldboete teneinde te voorkomen dat er niet meer wordt ontnomen dan aan voordeel is verkregen. Dat is alleen mogelijk indien de rechter in de strafzaak inzicht geeft in de omvang van deze component.
Zowel advocaat-generaal Aben (in S 24/00336) als advocaat-generaal Spronken menen dat voordeelsontneming wel het gevolg kan zijn van, maar geen (primaire) grond mag zijn voor de oplegging van een geldboete. Aben meent dat het raadzaam is dat de Hoge Raad zijn rechtspraak aanvult met de eis dat de strafrechter bij de oplegging van een geldboete met afroomcomponent tot uitdrukking brengt wat van die afroomcomponent de hoogte is en op welke wettige bewijsmiddelen de daaraan ten grondslag liggende vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk voordeel is gebaseerd. Bovendien dient het OM de ontnemingsvraag voorafgaande aan de terechtzitting aan te kondigen opdat de verdachte zich daarop tijdig kan prepareren en zich op de zitting daarover kan uitlaten. Indien op de strafzaak nog een ontnemingszaak volgt, zal de ontnemingsrechter – in verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaategel – acht dienen te slaan op de afroomcomponent van de opgelegde geldboete en erop moeten toezien dat hetzelfde voordeel niet tweemaal wordt ontnomen.
De Hoge Raad is van beide adviezen afgeweken. In de zaak S 24/00336 (waarnaar de Hoge Raad in de 2 andere zaken verwijst) heeft de Hoge Raad gesteld dat in een mogelijk op de strafzaak volgende ontnemingszaak de ontnemingsrechter vanwege het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel bij de vaststelling van de betalingsverplichting rekening dient te houden met de oplegging van (dit deel van) zo’n geldboete.
Als de rechter in de strafzaak niet heeft voorzien in een op dit punt adequate strafmotivering, maar de rechter in de ontnemingszaak – gelet op de hoogte van de opgelegde geldboete of anderszins – aanleiding heeft te veronderstellen dat sprake is van een geldboete die (mede) ter ‘afroming’ van het door het bewezenverklaarde feit verkregen voordeel dient, dan is de rechter in de ontnemingsprocedure gehouden (in matigende zin) rekening te houden met die boeteoplegging bij de vaststelling van de betalingsverplichting.

Omdat in deze zaak de ontnemingsprocedure nog moet worden gevolgd en de Hoge Raad er kennelijk vanuit gaat de ontnemingsrechter in staat zal zijn uit te puzzelen welk deel van de in de strafzaak opgelegde geldboete betrekking heeft op de ‘afroming’ leidt de klacht niet tot cassatie.

In voorkomende gevallen waarin duidelijk is dat er niet alleen een strafzaak is aangespannen maar al dan niet ook een ontnemingsprocedure is aangekondigd zal de verdediging/verdachte er dus op bedacht moeten zijn dat in die strafzaak ook een geldboete ter ontneming zal kunnen worden opgelegd. Dat betekent dat de verdediging in de strafzaak ook getuigen en deskundigen zal dienen te horen teneinde verweer te voeren tegen een mogelijke ontneming. De rechter zal deze verzoeken niet kunnen afwijzen door te oordelen dat deze getuigen/deskundigen niet relevant zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing.

Zie voor de uitspraak in de zaak S 24/00366:










Lees meer

conclusie advocaat generaal Sinnige over al dan niet tijdig verzoek doen om belastende getuigen te horen

Nog vrij recent, 14 oktober 2025, is de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1519 ) ingegaan op de vraag of het verzoek om een belastende maar niet gehoorde getuige kan worden afgewezen op grond van de omstandigheid dat de verdediging niet eerder uit eigen beweging gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden die de wet biedt om een ondervragingsgelegenheid te bewerkstelligen, terwijl daarvoor geen gegronde reden bestond.

Op 3 februari 2026 is advocaat-generaal Sinnige in een cassatiezaak onder meer ingegaan op de consequenties van deze recente jurisprudentie. In deze zaak, waarin de verdachte in eerste aanleg voor mishandeling was veroordeeld, is in hoger beroep op 10 oktober 2022 een rolzitting georganiseerd die bedoeld was om te inventariseren welke bezwaren er bestonden tegen het vonnis waarbij de verdediging heeft aangevoerd dat het hoger beroep zich tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten richt. Vervolgens is een inhoudelijke zitting gepland.
Op die inhoudelijke zitting heeft de verdediging bewijsverweren gevoerd. Daarnaast heeft de verdediging het voorwaardelijke verzoek om de aangever en een belastende getuige als getuigen te horen. Daartoe is aangevoerd dat zij allebei een belastende verklaring hebben afgelegd, waarbij het belang van de verdediging in beginsel moet worden verondersteld. Voorts is aangevoerd dat de verdediging aangeefster (onder andere) nader zou willen bevragen over de door haar genoemde geweldshandeling en de getuige over waar hij stond tijdens zijn waarneming, wat hij vanaf daar wél en niet heeft gezien/heeft kunnen zien en wat hij bedoelt met ‘schermutseling’. Vervolgens heeft de voorzitter waarom dit voorwaardelijk verzoek niet eerder is gedaan waarop de verdediging heeft geantwoord dat vrijspraak aangewezen was.

In het arrest is de mishandeling bewezen verklaard en het voorwaardelijk verzoek afgewezen. Daartoe heeft het hof onder meer geoordeeld dat het verzoek moet worden getoetst aan het noodzakelijkheidscriterium. Dit aangezien er niet binnen twee weken na het instellen van het hoger beroep een appelschriftuur is ingediend, waarin het verzoek is neergelegd. Volgens het hof ontbreekt de noodzaak tot het horen van de getuigen gelet op de zeer beperkte onderbouwing door de verdediging en de voorhanden processtukken die volgens het hof voldoende duidelijk zijn. Bovendien had in een eerder onderzoeksfase verzocht moeten worden tot het horen van de getuigen. Het verzoek pas bij de zitting bij de inhoudelijke behandeling in te dienen levert strijd op met de procesorde. Het hof stelt daarnaast dat de rechtspraak van het EHRM (Keskin tegen Nederland)) en in navolging daarvan de Hoge Raad over het horen van belastende getuigen ‘onder deze omstandigheden’ niet in de weg staan aan de afwijzing van het voorwaardelijke verzoek.
Dit oordeel is volgens de advocaat-generaal niet juist. Het oordeel van het hof dat de noodzaak tot het horen van de getuigen ontbreekt ‘gelet op de zeer beperkte onderbouwing door de verdediging’ is niet zonder meer begrijpelijk nu het getuigen betreft die belastend hebben verklaard. Voor zover het hof met zijn oordeel dat de noodzaak tot het horen van de getuigen tevens ontbreekt met het oog op “de voorhanden processtukken die voldoende duidelijk zijn” heeft bedoeld te zeggen dat het (opnieuw) horen van aangever en de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben, is dat oordeel evenmin begrijpelijk. Niet kan worden gesteld dat hetgeen de verdediging heeft willen betwisten door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al in zoverre buiten redelijke twijfel is komen vast te staan. Gelet hierop is het horen van de getuigen voor de bewijsvoering niet ‘manifestly irrelevant or redundant’.
Het oordeel van het hof dat de verdediging in strijd met de goede procesorde pas in een laat stadium met het voorwaardelijke verzoek tot het horen van aangever en getuige is gekomen, kan de afwijzing van dat verzoek evenmin dragen. De advocaat-generaal stelt daarbij vast dat hier zich niet de situatie voordoet als omschreven in de uitspraak van de Hoge Raad van 14 oktober 2025, waarin de verdediging expliciet daarnaar gevraagd (uitdrukkelijk) heeft aangegeven niet een verzoek te doen, dan wel niet heeft gereageerd op de uitdrukkelijke vraag of zij nog onderzoekswensen had. Het hof heeft in de voorliggende zaak weliswaar overwogen dat de verdediging op de rolzitting van 10 oktober 2022 onderzoekswensen “moest opgeven”, maar uit het proces-verbaal van die zitting kan worden opgemaakt dat de verdediging daar niet uitdrukkelijk is gevraagd naar eventuele onderzoekswensen en evenmin expliciet heeft aangegeven geen verzoeken te doen. Het gaat hier aldus om de situatie waarin de verdediging niet eerder uit eigen beweging gebruik heeft gemaakt van mogelijkheden die de wet biedt om een ondervragingsgelegenheid te bewerkstelligen, terwijl daarvoor geen gegronde reden bestond. Die enkele omstandigheid biedt echter geen grond voor afwijzing van het verzoek. Een en ander kan wél meewegen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Het hof heeft in deze zaak in zijn overwegingen er echter geen blijk van gegeven te hebben nagegaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Gelet hierop zal de uitspraak dan ook moeten worden vernietigd.
De Hoge Raad verwacht uitspraak te doen op 14 april 2026

Zie voor de conclusie: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2026:143&showbutton=true&idx=28










Lees meer

Vaststelling van zwaar lichamelijk letsel kan nader onderzoek vergen

Op dinsdag 20 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak waarin de vraag was of sprake is van het door verdachte aan een ander toegebracht zwaar lichamelijk letsel.
De vraag wat onder zwaar lichamelijk letsel kan worden verstaan is vaker bij de Hoge Raad aan de orde geweest. Eerder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van ‘zwaar lichamelijk letsel’ sprake is, in elk geval kunnen worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarbij is de Hoge Raad ingegaan op een veelvoorkomende categorie letsel, te weten (bot)fracturen. Indien sprake is van een zodanige fractuur dat operatief ingrijpen van een zekere ernst is vereist, geldt in de regel dat die fractuur, vanwege onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen, zwaar lichamelijk letsel vormt. Overigens kan relevant medisch ingrijpen ook bestaan uit een andere medische behandeling dan operatief ingrijpen. De beantwoording van de vraag of letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden aangemerkt, is volgens de Hoge Raad in belangrijke mate voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zijn oordeel daarover kan volgens de Hoge Raad in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. Als echter uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel zal dat aanleiding kunnen geven tot cassatie.

Volgens advocaat-generaal V.M.A. Sinnige bestond in deze zaak aanleiding tot cassatie. Zo bleek uit de bewijsmiddelen wel dat het slachtoffer ten gevolge van het mede door de verdachte toegepaste geweld diverse bloeduitstortingen, breuken in kaakholte, oogkasbodem en het linkerkuitbeen en een gewrichtsspleet tussen sleutelbeen en schouder had opgelopen en dat hij in het ziekenhuis op de spoedeisende hulp door een chirurg was behandeld, maar wat daar voor behandeling heeft plaatsgevonden bleek niet uit de bewijsvoering. Nu ten aanzien van zowel de botbreuken in de kaakholte als de botbreuk in de oogkasbodem en het linkerkuitbeen nadere vaststellingen in het bijzonder over de noodzaak en de aard van medisch, al dan niet operatief ingrijpen en ook het uitzicht op herstel ontbraken kon de uitspraak van het hof volgens de A-G niet in stand blijven.

De Hoge Raad oordeelde anders. De Hoge Raad stelde voorop dat het O.M. ervoor verantwoordelijk is dat de voor de beoordeling door rechter van belang zijnde gegevens bij de processtukken zijn gevoegd. De Hoge Raad voegde daaraan toe dat de rechter desnoods door aanhouding van behandeling van zaak kan bewerkstelligen dat stukken met nadere informatie over het letsel alsnog bij processtukken worden gevoegd. Ondanks de omstandigheid dat volgens de advocaat-generaal de benodigde gegevens niet voorhanden waren en het hof in de uitspraak niet nader had gemotiveerd waarom sprake was van zwaar lichamelijk letsel meende de Hoge Raad dat het hof ‘kennelijk’ heeft geoordeeld dat in dit specifieke geval de aard, samenstel en veelheid van de aan slachtoffer toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze (ook zonder nadere/specifieke vaststellingen over noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel) als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangeduid zodat de Hoge Raad de uitspraak van het hof in stand hield.

Deze uitspraak maakt niet duidelijk hoe de rechter nu precies moet handelen ingeval onvoldoende gegevens over de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en uitzicht op (volledig) herstel) voorhanden lijken te zijn. Aanhouding van het onderzoek ter zitting wordt slechts als een mogelijkheid gegeven maar de rechter hoeft dat niet te doen terwijl in de uitspraak het oordeel dat ondanks het achterwege laten en blijven van belangrijke gegevens er toch sprake is van zwaar lichamelijk letsel ook niet nader gemotiveerd behoeft te worden.

Zie voor de uitspraak van de Hoge Raad (met verwijzing naar de conclusie van de A-G) hier:










Lees meer

Je was erbij dus je bent erbij?

Je was erbij dus je bent erbij?

Soms wordt het bewijs van opzet iets te snel aangenomen indien een verdachte aanwezig is bij een door een ander gepleegd delict. Zeker als de verdachte zelf ook enig verwijt te maken valt.

Op dinsdag 13 januari 2026 heeft de Hoge Raad in 2 zaken uitspraak gedaan waarin de vraag centraal stond of de 2 verdachten (A en B) terecht voor het medeplegen van doodslag waren veroordeeld indien zij aanwezig waren bij het door een ander (C) in de nek steken van het slachtoffer terwijl zij zich zelf ook schuldig maakten aan mishandeling van het slachtoffer.

A en B hebben aangevoerd dat zij niet het opzet hebben gehad het slachtoffer om het leven te brengen. Aangevoerd is dat zij niets eens hebben geweten dat de 3e verdachte met een mes was gewapend en door het steken ook zijn overvallen.

Vast stond dat de 2 (A en B) met de steker (C) het slachtoffer hadden opgezocht om hem eens goed onder handen te nemen. Het slachtoffer zat op dat moment bij een kapper in de kappersstoel. Nadat de 2 verdachten samen met de ander de kapperszaak binnenliepen escaleerde de zaak zeer snel. Eén van de 2 medeverdachten sloeg het slachtoffer met een in de kapperszaak liggende bezem op de rug en de ander sloeg het slachtoffer met een tondeuse op het hoofd. De andere, 3e verdachte (C), bleek in het bezit te zijn van een mes waarmee hij het slachtoffer in de nek stak.
Het binnekomen, geweld en het vertrek van alle drie de verdachten vond plaats binnen een minuut.

Het hof was van mening dat alle drie de verdachten zich schuldig hadden gemaakt een het medeplegen van een poging doodslag. Daartoe overwoog het hof dat in de kern sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering van de geweldshandelingen jegens het slachtoffer en dat alle verdachten fors geweld hebben gepleegd jegens hem. Zij hebben gezamenlijk en tegelijkertijd verschillende geweldshandelingen verricht. Door zo te handelen hebben zij elkaar versterkt in hun geweld tegen aangever. Gelet op het forse geweld dat beide verdachten (A en B) hebben uitgeoefend heeft het voorwaardelijk opzet op de samenwerking zich volgens het hof mede uitgestrekt tot de het steken in de nek door de 3e verdachte (C). Gelet hierop heeft het hof geoordeeld dat ook dit steken mede voor hun rekening dient te komen zodat ook zij de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer als gevolg daarvan ook, willens en wetens hebben aanvaard.

In deze zaak was in feite sprake van een (meer wezenlijk) uiteenlopend opzet tussen de verdachten. Meermalen is in literatuur en jurisprudentie aandacht besteed aan het bewijs van medeplegen, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van binnen of buiten het gezamenlijk plan vallende delicten die een overschrijding van het gezamenlijk doel van de medeplegers opleveren. A-G Keulen is eerder ingegaan op het proefschrift van Postma die de rechtspraak van de Hoge Raad inzake het bewijs van medeplegen ten aanzien van binnen of buiten het gezamenlijk plan vallende delicten die een overschrijding van het gezamenlijk doel van de medeplegers opleveren in kaart gebracht. Postma onderscheidt onder meer de categorie waarin de kwade kans besloten ligt in het gezamenlijk plan zoals de zaak waarin de drie mededaders na een bankoverval met een auto vluchten. Eén van de mededaders schiet met een pistool op een achtervolgende politieauto met daarin twee politieagenten. Later tijdens de vlucht schiet een mededader (nu met dodelijk gevolg) op een politieagent. De verdachte wordt veroordeeld wegens (onder meer) het medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en het medeplegen van doodslag. Van belang is dat het vuurwapengeweld voortvloeide uit het gezamenlijk plan. De daders hadden er ‘rekening mee gehouden dat, als de situatie dat ter verwezenlijking van het door hen voorgenomen doel zou vereisen, het gebruik van vuurwapens niet zou worden geschuwd’. Daarnaast onderscheidt hij zaken waarin het delict besloten ligt in een ‘uitvoeringsaspect’ van het gezamenlijk plan waarbij in aanmerking werd genomen dat de verdachte ‘zijn rol is blijven vervullen’. Ook bij zaken die Postma rubriceert als zaken waarin het delict dat een overschrijding van het gezamenlijk doel oplevert buiten het gezamenlijk plan valt, is van belang of de samenwerking wordt voortgezet.

In de zaak waarin A-G Keulen zijn hier bovengenoemde conclusie nam had het hof de vaststelling dat de verdachte op de hoogte was van het bezit van een vuurwapen bij de medeverdachte (de latere schutter) niet zozeer gebaseerd op de bewijsmiddelen, als wel (uitsluitend) op de algemene ervaringsregel dat bij de gezamenlijke uitvoering van een gezamenlijk voorgenomen ripdeal in het kader van een grote partij drugs het ‘in de lijn der verwachting’ ligt dat (door beide partijen) wapens meegebracht worden en deze indien nodig ook zullen worden gebruikt en dat zowel de verdachte als medeverdachte (de kennelijke schutter) hiervan op de hoogte waren. Het hof wijst er daarbij op dat een ripdeal gepaard gaat met het nodige gevaar en overleg vergt over de rolverdeling. Het niet inlichten van de verdachte over het wapen zou een wezenlijk risico voor zowel de verdachte als medeverdachte met zich brengen en dan ook niet voor de hand liggen. De Hoge Raad oordeelde evenwel het oordeel van het hof dat de verdachte het voor het medeplegen vereiste opzet op de door een medeverdachte gepleegde poging tot doodslag heeft gehad, is niet toereikend gemotiveerd. Dat de verdachte en de medeverdachte het plan hadden opgevat een partij hennep weg te nemen zonder te betalen en dit plan gezamenlijk hebben uitgevoerd, was niet voldoende nu niet blijkt dat in enigerlei vorm een afspraak is gemaakt over het gebruik van een wapen, dan wel dat de verdachte wist dat de medeverdachte voor de uitvoering van het plan een wapen had geleend of zich bewust was van de mogelijkheid van het gebruik van een wapen door de medeverdachte bij die uitvoering dan wel dat de verdachte, nadat de medeverdachte begon met schieten, op enigerlei wijze heeft bijgedragen aan de poging tot doodslag. Het voor medeplegen vereiste opzet van de verdachte op de poging tot doodslag kan niet uitsluitend worden aangenomen op de gronden dat bij het dwingen van personen om waardevolle spullen af te staan dan wel het daartoe oplichten van personen binnen een crimineel milieu het in de lijn der verwachting ligt dat over en weer wapens worden meegebracht en zo nodig worden ingezet en dat het niet voor de hand ligt dat het meebrengen van een wapen niet bekend is bij of bekend wordt gemaakt aan een mededader. In zijn noot onder het betreffende arrest stelt Vellinga dat voorzienbaarheid van een mogelijkheid (nog) geen opzet oplevert om de eenvoudige reden dat daarmee nog niet vaststaat dat de verdachte die mogelijkheid heeft voorzien. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. En ook als de verdachte de mogelijkheid van het gebruik van het wapen tegen een ander heeft voorzien dan is daarmee opzet op de poging tot doodslag nog niet gegeven. Hij moet die mogelijkheid als aanmerkelijk hebben ingeschat en als zodanig hebben aanvaard. Pas dan is er sprake van (voorwaardelijk) opzet.

Aan de hand van verschillende voorbeelden in jurisprudentie van de Hoge Raad stelt Keulen dan ook dat het voor de bewezenverklaring van opzet op het toegepaste geweld bijvoorbeeld niet voldoende is dat de verdachte zich heeft begeven in een situatie die naar ervaringsregels binnen het criminele circuit vaak zou kunnen leiden tot het gebruik van een vuurwapen. Anderzijds laat deze rechtspraak volgens hem wel zien dat als de deelnemer er van tevoren mee bekend is dat een of meer van de anderen een (vuur)wapen bij zich draagt, of als zulks deel uitmaakt van de modus operandi, al snel medeplegen kan worden aangenomen.

In deze zaak is dus van belang dat (onder meer) moet worden vastgesteld aan wélk gezamenlijk plan uitvoering is gegeven; wat is het gronddelict dat de drie voor ogen hadden? Gelet op hetgeen door het hof is vastgesteld over de aanleiding, over het geweld dat de verdachte met de tondeuse en de andere verdachte met de stok en zijn handen heeft gepleegd, kan uit de bewijsvoering en de aanleiding bezwaarlijk anders volgen dan dat zij aangever (zwaar) wilden mishandelen en dat een van de plegers, C, daarin veel verder is gegaan. Het steken met een mes in de nek/bovenrug is van een andere orde.

Dat er mogelijk geweld zou worden gebruikt lijkt uit de bewijsvoering wel te kunnen worden afgeleid, maar niet dat het plan was om bij dat geweld slag- en steekwapens te gebruiken teneinde het slachtoffer dodelijk te verwonden. Het slachtoffer is immers door A en B mishandeld met in de kapperszaak voorhanden zijnde voorwerpen. Dit klemt te meer nu het hof zelf ook heeft vastgesteld dat het conflict volledig uit de hand (is) gelopen. Ook het uit de hand lopen duidt immers niet op een gezamenlijk plan om het slachtoffer te doden, dan wel dat dit voorzienbaar was en dus zelfs niet op voorwaardelijk opzet.

Conform het advies van advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft de Hoge Raad de uitspraken van het hof vernietigd.

Uit de door het hof vastgestelde omstandigheden kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte zich bewust waren van de aanwezigheid van een mes en van de mogelijkheid dat een van de medeverdachten het slachtoffer]daarmee op een kwetsbare plaats zou steken. Dat de verdachten hebben deelgenomen aan het gedurende een korte tijd opzettelijk medeplegen van fors geweld tegen het slachtoffer, en dat zij daarbij het slachtoffer tegen het hoofd hebben geslagen met in de kapperszaak aanwezige harde voorwerpen, volstaat niet.

Zie voor de uitspraken:

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:43&showbutton=true&idx=2

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2026:41&showbutton=true&idx=4










Lees meer

Persbericht I.N. Weski 1 juni 2023

PERSBERICHT

Rotterdam, 1 juni 2023

Vandaag is mevrouw I.N. Weski in vrijheid gesteld door de rechtbank.

Cliënte heeft geen verklaring afgelegd vanwege haar geheimhoudingsplicht en zal dit ook
niet doen. De impact van alles wat er is gebeurd sinds 21 april 2023 is groot. Wij vragen
iedereen met klem haar privacy te respecteren.

Er zal niet gereageerd worden op verdere vragen en verzoeken.

Rob Baumgardt
Fébe Schoolderman










Lees meer

PERSBERICHT I.N. WESKI



Rotterdam, 24 april 2023

Als raadslieden van mevrouw I.N. Weski delen wij mede dat cliënte de verdediging van Ridouan T. heeft neergelegd.

Voor het overige zullen wij op dit moment geen commentaar geven.

Rob Baumgardt
Fébe Schoolderman







Lees meer

Keskin en Hof Amsterdam: geen vertragingstactiek van de verdediging maar door het hof negeren van rechterlijke verantwoordelijkheid.



14 april 2023 - Het Nederlands strafproces is al decennia geconfronteerd met onder-financiering, bezuinigingen en een tekort aan mankracht en dergelijke. Dit leidde onder meer tot een chronisch tekort aan zittingscapaciteit.
Dit tekort leidde weer tot het krampachtig afwijzen van verzoeken van de verdediging die als resultaat zouden hebben dat de behandeling van een strafzaak om wat voor reden dan ook zou moeten worden aangehouden.







Lees meer

Strafoplegging: te ruime proeftijd en te ruim geformuleerde bijzondere voorwaarden.



26 januari 2022 - Indien de rechter een verdachte een deels voorwaardelijke straf oplegt, wordt daaraan een proeftijd verbonden. Deze proeftijd bedraagt normaal gesproken een periode van ten hoogste 3 jaar. De voorwaardelijke straf wordt meestal opgelegd onder de voorwaarde dat de verdachte zich in die proeftijd niet schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit. Ook kunnen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke straf worden verbonden.
In een aantal gevallen kan een hogere proeftijd dan een proeftijd van 3 jaar worden bepaald, te weten een proeftijd van ten hoogste 10 jaar. Dat kan indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.







Lees meer

Tegenwerken van justitie?



6 oktober 2021 - Indien de politie het vermoeden heeft dat een verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd wil de politie natuurlijk zo snel mogelijk die verdachte aanhouden. Medewerking van het publiek is dan handig. Af en toe zoekt de politie dan ook actief de publiciteit om de verblijfplaats van een verdachte te achterhalen.

Het zou voor de politie mooi zijn indien familieleden of vrienden van een verdachte, die volgens de politie weten waar een verdachte zich schuil houdt, genoodzaakt kunnen worden die schuilplaats bekend te maken
In een zaak, waarin een vriend van een verdachte A. filmpjes en vlogs maakte met en van een ondergedoken A., heeft de politie die vriend benaderd. De vriend verklaard op vragen van de politie niet te weten waar A. uithing. Volgens de politie was dat gelogen. De officier van justitie besloot vervolgens de vriend te vervolgen wegens overtreding van art. 189 Sr.

Dat artikel stelt onder meer strafbaar het opzettelijk verbergen van een verdachte of hem behulpzaam zijn in het ontkomen aan de nasporing of aanhouding door de politie.







Lees meer

Belastende getuigen: rechtspraak van Hoge Raad volgens EHRM niet conform eisen EVRM



19 januari 2021 - Het EVRM stelt onder meer bepaalde eisen waaraan een eerlijk proces moet voldoen. Dit zijn minimum eisen; een land kan zijn rechtspleging zo inrichten dat een justitiabele/verdachte meer rechten krijgt dan de eisen waartoe het EVRM de verdragsstaten verplicht.
Aanvankelijk werd in Nederland dan ook wel gedacht dat Nederland wel nooit door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op de vingers zou worden getikt. Dat bleek een misvatting.







Lees meer

Ermelose chaletmoord en niet-ondervraagde getuigen



14 januari 2021 - In de ‘Ermelose chaletmoord’ heeft in maart 2014 de brandweer een melding gekregen om naar een bungalowpark in Ermelo te gaan waar een bungalow (‘chalet’) in brand zou staan. De brandweer treft in de bungalow het stoffelijk overschot aan van een slachtoffer die al eerder door zijn familie als vermist was opgegeven. Onderzoek wijst uit dat hij door geweld om het leven is gekomen en dat de bungalow in brand is gestoken.
A, de zus van de verdachte (X), is onder meer veroordeeld wegens het van het leven beroven van het slachtoffer. B en C zijn veroordeeld in verband met het in brand steken van het chalet en de poging tot het verbranden van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. X, de verdachte waar het hier om gaat, is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan de door B en C begane feiten.







Lees meer

Hoge Raad, Scoppola en rechtsbescherming



26 mei 2020 Wetgeving verandert. Soms verandert bijvoorbeeld het strafmaximum van delicten. In zijn uitspraak in de ‘Scoppola-zaak’ heeft het EHRM aangegeven dat bij wijziging van de strafmaat gedurende een strafproces de rechter de voor een verdachte gunstigste strafmaat zal dienen toe te passen, dus ook indien de strafmaat ten gunste van de verdachte na het feit is gewijzigd.[1]
Naar aanleiding van deze uitspraak is de Hoge Raad genoodzaakt eerdere jurisprudentie te wijzigen, althans te verduidelijken. Een wijziging van het sanctierecht zou in Nederland dus ook directe werking moeten hebben indien de wijziging voor een verdachte gunstiger uitpakt dan het voorheen geldende sanctieregime.[2] Wijziging van art. 14a Sr, die eerder niet werd gezien als reden tot het toepassen van het voor een verdachte gunstiger nieuwe recht[3], leidde na Scoppola wel tot toepassing van het nieuwe recht.[4]







Lees meer

Centurion, bewijs van ‘grootschalige beleggingsfraude’.



20 maart 2020 - In zijn arresten van 12 juni 2019 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden twee mannen die volgens hem leiding gaven aan Centurion Vastgoed B.V. voor het plegen van (onder meer) ‘grootschalige beleggingsfraude’ veroordeeld tot zware gevangenisstraffen. Volgens het hof zijn meer dan 600 beleggers door hen opgelicht met vastgoedprojecten in Costa Rica.
Tegen de uitspraken is cassatie ingesteld. In een van de zaken is inmiddels een cassatieschriftuur ingediend. In cassatie worden een aantal klachten naar voren gebracht. Zo worden klachten naar voren gebracht waarin wordt aangevoerd dat de bewijsvoering van de beweerdelijke grootschalige criminaliteit, zoals grootschalige beleggingsfraude, op een aantal punten in strijd is met het wettelijk bewijsstelsel en ook op diverse punten te kort schiet (Middel III).

Een geanonimiseerde versie van de schriftuur treft u hier aan.







Lees meer

Persbericht: Undercover in Nederland



14 februari 2020 - Op 3 februari jl. heeft het programma OP1 aandacht besteed aan een nieuw seizoen van Undercover in Nederland met Alberto Stegeman. Hierin is de handel in het illegale bruiningsmiddel ‘Melanotan II’ aan bod gekomen. Daarnaast zijn op 6 en 13 februari afleveringen van Undercover in Nederland uitgezonden over deze illegale handel. In de aflevering van 13 februari is het programma ‘undercover gegaan’ in de sportschool waarvan cliënt eigenaar is. Het programma bleek zonder recht of toestemming van cliënt in het geheim opnamen te hebben gemaakt in de sportschool.
De aanleiding voor deze uitzendingen is de dood van Jelle van Katwijk. Volgens zijn vader is Jelle overleden als gevolg van het gebruik van dit illegale bruiningsmiddel en anabolica. In deze verschillende uitzendingen wordt aandacht besteed aan de handel in het bruiningsmiddel ‘Melanotan II’ en wordt gesteld dat cliënt, eigenaar van een Rotterdamse sportschool, (mede)verantwoordelijk is voor de dood van Jelle van Katwijk. In de uitzendingen wordt het gebruik van het bruiningsmiddel ‘Melanotan II’, al dan niet in combinatie met anabolica, als doodsoorzaak van Jelle aangewezen.







Lees meer

Recht op hoger beroep/cassatie



31januari 2020 - Sinds 1 januari 2020 is de ‘wet USB’ in werking getreden. Deze wet bevat geen bepalingen meer over hoger beroep tegen een beslissing tot tenuitvoerlegging (TUL) van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Dit komt erop neer dat beslissingen van de rechtbank op een vordering tenuitvoerlegging direct onherroepelijk en dus executeerbaar zijn, ondanks dat eventueel hoger beroep wordt ingesteld en een verdachte wellicht in hoger beroep wordt vrijgesproken. Inmiddels zijn diverse uitspraken gewezen waarin rechters hebben geoordeeld dat dit onverenigbaar is met het EVRM. Dit is voor de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad aanleiding geweest ‘cassatie in het belang der wet’ in te stellen om zo van de Hoge Raad te horen of deze uitspraken juist zijn.
Momenteel zijn bij de Hoge Raad zaken aanhangig, waarin is aangevoerd dat de wetgever ten onrechte in bepaalde Caribische zaken beroep in cassatie heeft uitgesloten, terwijl dit rechtsmiddel tevoren wel heeft bestaan. Het betreft hier onder meer het geval dat een verdachte in hoger beroep bij verstek is veroordeeld.







Lees meer

Opnieuw: aanhoudingsperikelen



22 januari 2020 - Eerder is al aandacht geschonken aan zaken waarin de vraag centraal stond of het hof een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zitting vanwege de afwezigheid van een verdachte op juiste gronden en begrijpelijk had afgewezen. Deze kwestie blijft de gemoederen bezig houden. Zo ook in januari 2018.
Op de zitting van het hof ’s-Hertogenbosch bleek de verdachte niet aanwezig te zijn. Zijn raadsman gaf aan dat hij geen contact heeft gehad met zijn cliënt . De cliënt nam de telefoon niet aan en reageerde niet op een brief en e-mail. De raadsman vond dat hij niet als gemachtigd raadsman kon optreden en verzocht aanhouding van de zaak, nu hij het van belang vond dat zijn cliënt bij de inhoudelijke behandeling aanwezig zou zijn.







Lees meer

De mr. Big methode en verklaringsvrijheid



20 december 2019 - In het verleden opgedane ervaringen, zoals de Schiedammer parkzaak, hebben geleerd dat een eenzijdig ingesteld onderzoek tot onjuiste beslissingen kunnen leiden. Zo zou een op waarheidsvinding gericht onderzoek niet als doel mogen hebben het verzamelen van alleen belastend bewijs, maar ook oog moeten hebben op het vinden van mogelijk ontlastend bewijs.
Indien een onderzoek niet voldoende belastend bewijs oplevert, kan dat tot ergernis en frustratie leiden. Dit is zeker het geval bij zaken waarbij dodelijke slachtoffers te betreuren zijn. Dan schreeuwt de samenleving als het ware om een dader die voor dat feit verantwoordelijk kan worden gesteld. Het is in dat licht ook begrijpelijk dat politie en Openbaar Ministerie alles uit de kast willen trekken om resultaat te boeken, maar het is goed om juist dan het hoofd koel te houden.







Lees meer

Criminele organisatie en wederrechtelijk verkregen voordeel



11 december 2019 - Eerder is in de rubriek aandacht besteed aan een conclusie van advocaat-generaal Harteveld. In de conclusie is de advocaat generaal ingegaan op de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel indien dat voordeel gebaseerd wordt op deelneming aan een criminele organisatie.
Indien bewezen is verklaard dat een (gewezen) verdachte, hierna te noemen: veroordeelde, zich aan een aantal feiten schuldig heeft gemaakt kan het Openbaar Ministerie de veroordeelde ook bespringen met een ontnemingsvordering. Het OM kan dan vorderen dat het door de veroordeelde door middel van de bewezen verklaarde feiten genoten wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde wordt ontnomen.







Lees meer

Verdelen van de buit na inbraak dus ook witwassen van de buit?



21 november 2019 - Bij witwassen wordt wel gedacht aan ingewikkelde constructies, waarbij door middel van allerlei schimmige transacties door misdrijf verkregen geldbedragen aan het zicht van de buitenwereld wordt onttrokken. Het verbergen van de werkelijke aard of herkomst van door misdrijf verkregen voorwerpen levert inderdaad witwassen op. Toch is de wetstekst aanmerkelijk ruimer. Ook het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruik maken van een door misdrijf verkregen voorwerp levert witwassen op.
De ruime tekst van het wetsartikel (art. 420bis Sr) leverde destijds in het Parlement wel vragen op. Gelet op de wetstekst zou degene die het slot van een fiets openbreekt en vervolgens daarmee wegrijdt zich niet alleen aan diefstal schuldig maken, maar ook aan witwassen. De Minister stelde het Parlement gerust door te beweren dat een verstandig opererend Openbaar Ministerie in zo’n geval een fietsendief niet ook zou vervolgen voor witwassen.







Lees meer

Gefinancierde rechtsbijstand in cassatie en het staken van rechtsbijstand aan slachtoffers/benadeelde partijen in cassatie



7 november 2019 - Vanaf 1 januari 2020 zal het kantoor geen rechtsbijstand op toevoegingsbasis meer verlenen aan slachtoffers/benadeelde partijen in cassatie.

De vergoedingen ten behoeve van de aan verdachten in commune strafzaken en cassatiezaken verleende rechtsbijstand staan al jaren niet meer in verhouding tot de aan die zaken te besteden tijd, hetgeen alleen al blijkt uit de bevindingen van de door de overheid zelf aangestelde Commissie Van der Meer.
Het kantoor acht het voorts principieel onjuist dat de vergoedingen voor het verlenen van rechtsbijstand aan slachtoffers/benadeelde partijen in cassatie hoger zijn dan de vergoedingen ten behoeve van de aan verdachten verleende rechtsbijstand in cassatie, terwijl de werkzaamheden in de laatste gevallen beduidend meer tijd in beslag nemen.

Door dit besluit wenst het kantoor uiting te geven aan haar verontwaardiging en ongenoegen over het al jaren uitblijven van adequate vergoeding.







Lees meer

Smartengeld na inbraak



4 november 2019 - Het plegen van een misdrijf veroorzaakt veelal schade. Degen die schade heeft geleden kan proberen de veroorzaker van de schade aansprakelijk stellen teneinde de door hem/haar geleden schade te verhalen. Het aanspannen van een civielrechtelijke procedure kan echter nog wel wat kosten met zich brengen.
Om het (mogelijke) slachtoffer kosten en tijd te besparen heeft de wetgever slachtoffers van misdrijven de mogelijkheid gegeven zich in een strafzaak als ‘benadeelde partij’ te voegen. De strafrechter kan dan meteen een beslissing nemen over de eventuele schadevergoeding.







Lees meer

Criminele organisatie en voordeelsontneming



4 oktober 2019 - Indien een dader van een strafbaar feit door middel van dat feit wederrechtelijk voordeel verkrijgt, kan dat voordeel hem worden ontnomen. Dit strafbare feit kan het in de strafzaak bewezen verklaarde feit zijn. Onder bepaalde omstandigheden kan ook voordeel ontnomen dat de dader heeft genoten uit andere feiten.
Niet altijd is duidelijk of de dader (‘veroordeelde’) daadwerkelijk voordeel heeft genoten en zo ja: ter hoogte van welk bedrag. Complicerende factor kan zijn dat de dader niet alleen heeft gehandeld, maar met anderen. Wanneer verschillende personen gezamenlijk hebben geprofiteerd van de gepleegde strafbare feiten, zal het door de betrokkene individueel behaalde wederrechtelijk voordeel als uitgangspunt moeten worden genomen.







Lees meer

Zwaar lichamelijk letsel



13 september 2019 - Mishandeling is het opzettelijk en wederrechtelijk toebrengen van pijn of letsel. De maximumstraf voor mishandeling bedraagt 3 jaar (art. 300 lid 2 Sr). Indien niet het opzet bestond zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar de mishandeling wel zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,
bedraagt de maximumstraf 4 jaar (art. 300 lid 2 Sr). Degene die een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt is strafbaar op grond van artikel 302 Sr. In dat geval bedraagt de maximumstraf 8 jaar.







Lees meer

Aanhoudingsverzoek i.v.m. afwezigheid van de verdachte



7 augustus 2019 - Indien de cliënt van te voren heeft aangegeven niet op de zitting te verschijnen, kan een advocaat met zijn cliënt afspreken dat de advocaat door de cliënt gemachtigd wordt de verdediging te voeren. De advocaat kan dan op de zitting aangeven door de cliënt te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De advocaat zal dan verweren en verzoeken kunnen doen. Omdat dan sprake is van een gemachtigd raadsman wordt verondersteld dat de cliënt van de zitting op de hoogte is, wat dan weer gevolgen heeft voor het ingaan van de termijn, waarbinnen een rechtsmiddel tegen de uitspraak moet worden aangewend.
Het komt wel eens voor dat een advocaat bij een zitting constateert dat zijn cliënt niet aanwezig is, zonder dat duidelijk is waarom de cliënt niet aanwezig is. Niet iedere cliënt belt bij verhindering wegens bijvoorbeeld ziekte of autopech zijn advocaat op met het verzoek de zitting aan te laten houden. De vraag rijst dan wat de advocaat in zo’n geval moet doen, omdat niet altijd van te voren is afgesproken dat de advocaat gemachtigd is de verdediging te voeren bij afwezigheid van zijn cliënt.







Lees meer

Recht op tegenonderzoek



8 juli 2019 - In februari 2017 heeft de rechtbank Rotterdam een verdachte veroordeeld voor diefstal. Verdachte heeft als medewerker van een geldtransportbedrijf een geldkoffer met plofdeksel in een de geldwagen gereed gemaakt voor transport. Dit is gedaan door op het plofdeksel een code in te voeren. Doordat bij de muursluis schrikhekken waren geplaatst was het niet mogelijk de geldwagen op korte afstand daarvan te parkeren.
De kluis is door verdachte met een speciale sleutel geopend waarna verdachte de koffer in de sluis heeft gezet en de bank is ingelopen. Vervolgens blijkt de koffer uit de sluis te zijn weggenomen. In de sluis wordt nog slechts een plofdeksel aangetroffen.De bestuurder van de geldwagen ziet een scooter wegrijden met tussen zijn benen de geldkoffer.

Na onderzoek van de werkgever worden verdachte en de bestuurder van de geldwagen als verdachten aangemerkt. De strafzaak tegen de bestuurder wordt geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Verdachte wordt vervolgd en veroordeeld.







Lees meer

Vervolg op eerdere blog: Afgaan op seksadvertentie Speurders; is er sprake van laster?



27 juni 2019 - Op 23 april 2019 nam advocaat-generaal mr. P.C. Vegter een conclusie in een zaak waarin de verdachte aan onder andere een gezinsvoogd een e-mailbericht had gestuurd waarin stond dat zijn ex-vrouw een prostituee was. Voorts zou hij die informatie in haar flat schriftelijk hebben verspreid.
Deze conclusie is in een eerdere blog van 25 april 2019 reeds besproken. In deze blog wordt nog kort ingegaan op de uitspraak die de Hoge Raad op 18 juni 2019 heeft genomen.







Lees meer

Onbevoegde rechter in rechtbank Haarlem



21 juni 2019 - De wetgeving is helder. Degene die in een strafzaak als rechter een zaak behandelt en beslist zal te allen tijde op de juiste, bij wet voorgeschreven wijze, tot rechter moeten zijn benoemd. Indien iemand tot rechter is benoemd zal dat kunnen blijken uit een Koninklijk Besluit (K.B.).
In een zaak, die momenteel bij de Hoge Raad aanhangig is, is onder meer de vraag aan de orde of in die zaak sprake is van een onbevoegde rechter.







Lees meer

Afgaan op seksadvertentie op Speurders.nl: laster?



25 april 2019 - In 2013 is een verdachte vervolgd wegens laster. Hij zou aan een gezinsvoogd en anderen e-mails hebben verzonden waarin hij aangaf dat zijn ex-vrouw een prostituée was. Daarnaast zou hij deze informatie in de flat waar zijn ex woonde hebben verspreid.
In cassatie is aangevoerd dat pas van ‘laster’ sprake is wanneer opzet aanwezig is op de aanranding van iemands eer of goede naam. Bovendien is vereist dat de dader weet dat het tenlastegelegde feit in strijd is met de waarheid. Dat laatste was in deze zaak naar de mening van de verdediging niet het geval. In deze blog wordt de conclusie van de AG behandeld.







Lees meer

Computervredebreuk: poging of voltooid delict?



11 april 2019 - In een strafzaak is aan een verdachte ten laste gelegd dat hij zich in de periode 2010 tot en met 2012 schuldig heeft gemaakt aan een aantal feiten, waaronder oplichting en het uitgeven van vals geld. Daarnaast zijn cybercrime feiten ten laste gelegd, te weten twee ‘hacks’ of pogingen daartoe en het voorhanden hebben van computergegevens om daarmee mogelijk incassofraude te plegen.
Zo zou verdachte in december 2011 opzettelijk en wederrechtelijk in een computer van ECT zijn binnengedrongen met behulp van een softwareprogramma. De rechtbank Rotterdam achtte dit binnendringen niet bewezen, wel een poging daartoe. In hoger beroep heeft het hof daarentegen wel bewezen geacht dat verdachte erin was geslaagd het geautomatiseerd werk van de ECT binnen te dringen. Daarvoor gebruikte het hof dezelfde bewijsmiddelen die de rechtbank eerder had gebruikt om tot een bewezenverklaring van de poging te komen.







Lees meer

Openlijk geweld in hal/portiek van een flatgebouw?



3 april 2019 - Met openlijk geweld als bedoeld in art. 141, eerste lid, Sr wordt gedoeld op geweld dat onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat echter is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht op wat gebeurde bestond. De term ‘openlijk’ wordt dusdanig geïnterpreteerd dat het moet gaan om geweld dat voor derden waarneembaar moet kunnen zijn geweest.
Geweldshandelingen die zich bijvoorbeeld in een direct aan de openbare weg bevindende voortuin van een woning hebben plaatsgevonden, waarbij die voortuin slechts door een laag tuinhek van die openbare weg werd afgegrensd, moeten vanaf die openbare weg waarneembaar zijn geweest, zodat in dan sprake is van ‘openlijk geweld’.

In de hieronder te bespreken conclusie van 2 april 2019 staat de vraag centraal of sprake is van openlijk geweld.







Lees meer

Onjuist beslag op mogelijk crimineel geld van onwetende derde?



27 maart 2019 - Het is de regering en het Openbaar Ministerie ernst met de jacht op crimineel geld. Misdaad mag niet lonen. Buit moet worden afgepakt.
Dit kan gebeuren door een ontnemingsprocedure (‘pluk-ze’) aan te spannen. Ook is het mogelijk een verdachte te vervolgen voor witwassen.







Lees meer

Taakstrafverbod in geval van gevorderde tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf



26 februari 2019 - In 2012 zag het taakstrafverbod het licht in het Wetboek van Strafrecht (artikel 22b Sr). Dat verbod kwam er na een uitzending van het programma Zembla in 2007. Volgens het programma zouden rechters te vaak taakstraffen opleggen bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Hoewel al snel bleek dat het programma uitging van onjuiste feiten wilde de wetgever tegemoetkomen aan de onderbuikgevoelens van een deel van de (zo belangrijke) kiezers.
Artikel 22b Sr behelst een beperking voor de rechter om een taakstraf op te leggen bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven (lid 1). Oplegging van taakstraffen werd ook beperkt indien een eerdere taakstraf (binnen 5 jaar voor de pleegdatum van ‘het begane feit’) de speciaal-preventieve werking kennelijk miste (lid 2). Ingevolge lid 3 geldt de beperking niet indien er naast een taakstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.







Lees meer

Conclusie A-G 5 februari 2019: beroep op noodweer(exces) onterecht verworpen.



19 februari 2019 - Op 5 februari 2019 heeft advocaat-generaal mr. B.F. Keulen een conclusie genomen met betrekking tot noodweer(exces).
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij een persoon in het bovenlichaam (rechterborst) heeft gestoken met een mes en zo heeft gepoogd om die persoon om het leven te brengen.







Lees meer

Witwassen en doorgeschoten bewijslast



16 januari 2019 - Eerder is door ons aandacht geschonken aan witwassen en verdeling van de bewijslast. Daarbij is gewezen op het uitgangspunt dat op het Openbaar Ministerie de bewijslast rust. Om te worden vrijgesproken hoeft een verdachte zijn onschuld niet te bewijzen
en tevens hoeft hij niet mee te werken aan het verzamelen van bewijs tegen hem. Een verdachte behoeft dan ook geen antwoord te geven op aan hem gestelde vragen. Een beroep op het zwijgrecht kan dan ook niet als bewijsmiddel tegen hem worden gebruikt.







Lees meer

Voorwaardelijke invrijheidstelling ook tijdens de voorlopige hechtenis?



10 december 2018 - Tot 1 juli 2008 kenden we in Nederland de vervroegde invrijheidstelling. Dit hield kort gezegd in dat in geval van een veroordeling tot een gevangenisstraf, deze straf (vrijwel) standaard met één derde werd verminderd.
Vanaf 1 juli 2008 is deze vervroegde invrijheidstelling omgezet naar een voorwaardelijke invrijheidstelling (ook wel “v.i.” genoemd).







Lees meer

Uitlevering van Said C. aan Marokko en dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM.



17 oktober 2018 - Op 22 februari 2018 heeft de rechtbank Zeeland-West Brabant de uitlevering van Said C., oprichter van ‘de 18 september-beweging voor de onafhankelijkheid van de Rif’ en voormalig Marokkaans parlementslid, aan Marokko ontoelaatbaar verklaard.
Tegen deze beslissing heeft het O.M. beroep in cassatie ingesteld. In haar conclusie van 2 oktober jl. heeft plv. Advocaat-Generaal Paridaens de Hoge Raad voorgesteld de beslissing van de rechtbank te vernietigen. De verdediging heeft inmiddels schriftelijk gereageerd op deze conclusie en aangegeven dat het cassatieberoep van het O.M. ongegrond moet worden verklaard.







Lees meer

Reactie op de conclusie van de A-G n.a.v. "Mr. Big zaak"



9 oktober 2018 - Eerder is op deze website de geanonimiseerde cassatieschiftuur gepubliceerd. Daarop heeft de Advocaat-Generaal een conclusie genomen.
Hieronder is de geanonimiseerde versie van de zogenaamde 'Borgersbrief' gepubliceerd. De Hoge Raad verwacht op 13 november 2018 uitspraak te doen.







Geanonimiseerde 'Borgersbrief'

Witwassen en doorgeschoten bewijslast



25 september 2018 - Op het Openbaar Ministerie rust de bewijslast. Om te worden vrijgesproken hoeft een verdachte zijn onschuld niet te bewijzen en tevens hoeft hij niet mee te werken aan het verzamelen van bewijs tegen hem. Een verdachte behoeft dan ook geen antwoord te geven op aan hem gestelde vragen. Een beroep op het zwijgrecht kan ook niet als bewijsmiddel tegen hem worden gebruikt.
Hoewel uit het bovenstaande zou kunnen worden afgeleid dat een verdachte niet actief informatie behoeft te verstrekken, blijkt uit de heersende jurisprudentie dat de rechter toch bepaalde consequenties kan verbinden aan het feit dat informatie achterwege blijft. Het niet geven van informatie kan zelfs onder bepaalde omstandigheden tegen een verdachte worden gebruikt. Dit is onder meer het geval bij ‘witwassen’.







Lees meer

"Mr. Big" in Nederland



Op 3 oktober a.s. zal in Utrecht het symposium “Undercover in Nederland met Mr. Big” plaatsvinden. Deze onderzoeksmethode is afkomstig uit Canada
waar meermalen het door middel van deze methode verkregen bewijs, te weten de “bekennende” verklaring van een verdachte, als onbetrouwbaar en ongeschikt voor het bewijs is af geserveerd







Lees meer

Zaak Guus K.: Reactie op conclusie van Advocaat-Generaal Hofstee



14 augustus 2018 - Op 26 juni 2018 is in deze zaak op de site www.rechtspraak.nl de conclusie gepubliceerd van Advocaat-Generaal mr. Hofstee. Naar aanleiding daarvan is eerder op deze site de (geanonimiseerde) versie
van de eerder ingediende cassatieschiftuur opgenomen. Op de conclusie van de Advocaat-Generaal is door de verdediging gereageerd. Een (geanonimiseerde) versie van deze 'Borgers-reactie' treft u hieronder aan.







Lees meer

Actualiteiten Cassatie Guus K



26 juni 2018 - Advocaat Generaal mr E.J. Hofstee heeft de Hoge Raad geadviseerd de veroordeling van Guus K. wegens medeplichtigheid aan het medeplegen van oorlogsmisdrijven en het medeplegen van overtredingen van V.N. embargo’s in Liberia tussen 1999 en 2003 in stand te houden. Zijn (geanonimiseerde) conclusie is op de website van rechtspraak.nl gepubliceerd. Binnenkort zal de verdediging bij de Hoge Raad op dit
advies reageren.Ten behoeve van de in de zaak van Guus K. geïnteresseerde lezer wordt hieronder een (geanonimiseerde) versie van de eerder ingediende cassatieschriftuur gepubliceerd. Opmerking verdient dat de afkortingen van getuigen e.d. niet overeenkomen met de aanduidingen van de namen van de getuigen in de (geanonimiseerde) conclusie van de
Advocaat-Generaal.







Bijlage: Cassatieschriftuur

Meineed?



3 juli 2018 - Als een getuige bij de politie niet naar waarheid een verklaring aflegt, begaat hij nog geen misdrijf. Dit is anders indien de getuige door een rechter als getuige wordt ondervraagd, nadat hij door die rechter ‘onder ede’ is gesteld. De rechter zal dan de getuige de eed of de belofte moeten afnemen.
Indien de getuige dan naar de mening van de officier van justitie een leugenachtige verklaring aflegt, kan hij door het Openbaar Ministerie worden vervolgd voor het plegen van meineed.
De rechter zal dan moeten nagaan of de verklaring onder ede is afgelegd, en dat dus voldaan is aan de eisen van de Eedswet.







Lees meer

Ontneming zonder opgave van bewijsmiddelen?



15 juni 2018 - In een strafzaak zal de uitspraak onder meer de bewezenverklaring moeten bevatten, maar ook de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring wordt gebaseerd. Ook in een uitspraak waarin een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd,
zullen de bewijsmiddelen moeten worden genoemd waarop de maatregel wordt gebaseerd. Dit blijkt in de praktijk niet altijd op de juiste wijze te gebeuren.







Lees meer

Oproepen van getuigen in ontnemingszaken



4 juni 2018 - Zoals in strafzaken zal in ontnemingszaken de veroordeelde de behoefte hebben om ter zitting getuigen te horen. Dat was ook het geval in een procedure die bij het hof Arnhem-Leeuwarden speelde.
In deze zaak had de rechtbank de veroordeelde veroordeeld tot betaling van iets meer dan € 143.000,00. Het voordeel zou zijn verkregen uit handel in drugs.







Lees meer

Oproeping van klager en advocaat in een klaagschriftprocedure



26 april 2018 - In januari 2013 heeft klager bij de rechtbank Oost-Brabant een klaagschrift ingediend strekkende tot teruggave van in beslag genomen geld en sieraden. Dit klaagschrift is door de rechtbank gegrond verklaard.
In 2015 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen. De zaak is op dit moment wederom in behandeling bij de Hoge Raad.







Lees meer

Aanhouding wegens ziekte: doktersverklaring altijd vereist?



9 april 2018 - In 2016 heeft een verdachte in de ochtend van 27 juli een email gestuurd naar het hof met het bericht dat hij die dag wegens een voedselvergiftiging niet in staat is aanwezig te zijn op een zitting later die dag. Het hof heeft de Advocaat-Generaal verzocht om aan de verdachte terug te mailen dat het hof binnen 1 week een doktersverklaring wenst te verkrijgen.
De Advocaat-Generaal heeft ter terechtzitting verzocht de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren, nu hij geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend. Het hof heeft daarop aangegeven het onderzoek zal hervatten indien het binnen 1 week de beschikking krijgt over de doktersverklaring, zodat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik zal kunnen maken.







Lees meer

Zuuraanval



22 maart 2018 - In augustus 2015 heeft een gedetineerde in de P.I. Alphen aan den Rijn tot 2 keer toe de inhoud van een flesje vanaf een bovenverdieping naar beneden gegooid richting een medewerker van de Penitentiaire Inrichting. De inhoud van het flesje kwam op het hoofd, tong, ogen en armen van de medewerker terecht.
De medewerker voelde daarop, zoals hij in zijn aangifte vermeldde, een “bijtende pijn”, een “brandende pijn”. Hij rook dat de smurrie “een zure reuk” afgaf. De verdachte moest zich vervolgens bij de rechter verantwoorden in verband met een verdenking van mishandeling.







Lees meer

Goudsmokkel uit Venezuela en witwassen?



14 maart 2018 - Op 5 januari 2018 gooide de President van Venezuela, Maduro, de grenzen dicht om zo te voorkomen dat goederen vanuit Venezuela naar de ABC eilanden zouden worden uitgevoerd. Volgens criminoloog en onderzoeksjournalist Bram Ebus, die onderzoek heeft gedaan naar de gouddelving in Venezuela, zou onder het oog van het leger van Venezuela grote hoeveelheden goud via vliegtuigen naar de ABC eilanden worden gesmokkeld.
Dit bericht is voor het SP-Kamerlid Ronald van Raak aanleiding geweest vragen te stellen aan de Staatsecretaris van Koninkrijksrelaties. Volgens het Kamerlid wordt op de eilanden veel geld witgewassen. Volgens hem lijkt het er nu op dat naast geld ook op grote schaal illegaal goud wordt witgewassen. “Op papier wordt nul goud geïmporteerd, terwijl er ongelooflijk veel wordt geëxporteerd.”

De vraag of sprake is geweest van goudsmokkel uit Venezuela en witwassen van dat goud is eerder ook aan de orde geweest in een langlopende strafzaak.







Lees meer

Vergissing of leugen en/of bewijsmiddel?



8 maart 2018 - Niet alleen politici maken zich schuldig aan het vertellen van leugentjes. Ook in strafzaken vertellen betrokkenen niet altijd de waarheid. Uitgangspunt is dat een rechter alleen juiste en betrouwbare verklaringen als bewijsmiddel gebruikt.
Als een rechter van mening is dat een aangever of getuige niet naar waarheid heeft verklaard, zal deze verklaring dan ook niet als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt. Wie van mening is dat om deze reden een leugenachtige verklaring van een verdachte ook niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt, heeft het mis.







Lees meer

Oplichting door middel van een leugen?



27 februari 2018 - Oplichting is strafbaar gesteld in art. 326 Sr. Volgens dit artikel is oplichting mogelijk door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid. Andere ‘oplichtingsmiddelen’ zijn het gebruik maken van listige kunstgrepen en gebruikmaking van een samenweefsel van verdichtsels. Deze specifieke oplichtingsmiddelen zorgen ervoor dat het strafbare feit oplichting nader wordt gespecificeerd en
hebben tevens tot gevolg dat niet iedere vorm van bedrog kan worden aangemerkt als oplichting. In een zaak die door het hof ’s-Hertogenbosch in 2016 is berecht, stond ten aanzien van twee tenlastegelegde feiten met name de vraag centraal of er wel sprake was van een samenweefsel van verdichtsels.







Lees meer

Zelfverdediging



15 februari 2018 - Het recht op zelfverdediging is in het wetboek van Srafrecht verankerd in art. 41 Sr. Niet strafbaar is hij die het feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. In jurisprudentie zijn aan de vereisten voor een geslaagd beroep nader vorm gegeven.
Zo heeft de Hoge Raad in 2016 een overzichtsarrest gewezen, waarin de Hoge Raad de lijnen, zoals in eerdere uitspraken al zijn uitgezet, nog eens in een overzicht (handzaam) heeft aangegeven. De Hoge Raad heeft daarbij overigens wel opgemerkt dat noodweer (en noodweerexces) in de alledaagse praktijk soms aanleiding geven tot moeilijkheden.







Lees meer

Duidelijkheid en uitleg van de tenlastelegging



6 februari 2018 - In een strafzaak strekt een tenlastelegging er onder meer toe voor de procesdeelnemers de inzet van het geding met de vereiste mate van duidelijkheid vast te leggen. De dagvaarding moet dan een opgave behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding van de periode en plaats waar het feit zou zijn begaan en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De omschrijving moet zowel in juridische als in feitelijke zin voldoende houvast bieden.
De rechter zal de feitelijke weergave in de tenlastelegging juridisch moeten vertalen. De rechter kan oordelen dat het bewezenverklaarde en ander strafbaar feit oplevert dan de opsteller van de tenlastelegging voor ogen had. Indien echter bepaalde bestanddelen van een strafbaar feit in de tenlastelegging ontbreken, kan de rechter die ontbrekende bestanddelen niet zomaar inlezen.







Lees meer

Op uitkijk staan bij inbraak blijft medeplichtigheid



29 januari 2018 - Er is verschil tussen medeplegen en medeplichtigheid. Medeplegen veronderstelt een nauwe en bewuste samenwerking tussen de plegers van een delict. Bij medeplichtigheid is de rol van de medeplichtige minder vergaand. Denk daarbij bijvoorbeeld aan degene die bij een inbraak in een woning niet naar binnen gaat, maar op de uitkijk staat.
Medeplichtigheid wordt ook met minder straf bedreigd dan medeplegen. Vandaar dat in strafzaken wel wordt betoogd dat de verdachte niet te beschouwen is als een ‘medepleger’ maar als ‘medeplichtige’.







Lees meer

Kennelijk leugenachtige verklaring als bewijs



15 januari 2018 - Een bewezenverklaring moet steunen op betrouwbaar bewijs. Het is dan ook merkwaardig dat een leugenachtige verklaring van een verdachte als bewijsmiddel kan worden gebruikt. In de jurisprudentie heeft de Hoge Raad hieraan wel een aantal voorwaarden verbonden.
Zo kan zo’n verklaring alleen voor het bewijs worden gebruikt als op grond van andere bewijsmiddelen dan de verklaringen van een verdachte kan worden vastgesteld dat de leugenachtigheid juist erop gericht is om het tenlastegelegde daderschap te bemantelen.







Lees meer

Bespreking twee zaken: verbeurdverklaring van geld en de strafbaarstelling van art. 161bis Sr



11 januari 2018 - In deze blog zullen twee arresten van de Hoge Raad van 9 januari 2018 worden besproken. Over de eerste zaak, verbeurdverklaring van een geldbedrag, is op 14 december 2017 reeds een blog verschenen.
De tweede zaak gaat over overtreding van artikel 161bis Sr. Dit artikel stelt strafbaar het opzettelijk enig elektriciteitswerk vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken, stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaken, of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen.







Lees meer

Betekening dagvaarding



5 januari 2018 - Een strafzaak wordt bij de rechtbank en het hof niet schriftelijk afgehandeld, maar op een zitting afgedaan. Op die zitting zal een verdachte verweer kunnen voeren tegen de beschuldiging. Een verdachte zal niet per brief verweer kunnen voeren.
Om er voor te zorgen dat een verdachte ook daadwerkelijk verweer kan voeren, zal de verdachte tijdig van de zitting op de hoogte moeten worden gesteld. Dit gebeurt door het uitreiken van de oproep, dagvaarding, aan de verdachte.







Lees meer

Medeplegen hennepteelt door eigenaar woning?



23 december 2017 - Indien in een pand een hennepkwekerij wordt aangetroffen wordt af en toe iets te snel de conclusie getrokken dat de eigenaar de hennep wel zal hebben geteeld. Deze blog gaat over zo'n voorbeeld.
Begin oktober 2013 is de politie binnengetreden in een pand in Rotterdam. In het pand werd hennep aangetroffen. Ook werd hennepafval en scharen e.d. aangetroffen. De woning was eigendom van verdachte. Deze verklaarde dat hij de woning per 1 augustus 2013 aan een ander, N, had verhuurd. Zelf zou verdachte geen betrokkenheid hebben gehad bij de hennepkwekerij.







Lees meer

Verbeurdverklaring van geld



14 december 2017 - De verbeurdverklaring van voorwerpen is een zogenaamde ‘bijkomende straf’. Dit is bijvoorbeeld mogelijk indien een voorwerp aan de veroordeelde verdachte toebehoort of die hij te eigen bate kan aanwenden en die door middel van het (bewezenverklaarde) strafbare feit zijn verkregen.
Ook is het mogelijk voorwerpen verbeurd te verklaren met behulp waarvan het feit is begaan. Ook voorwerpen die tot het begaan van het feit zijn bestemd kunnen verbeurd worden verklaard (art. 33a Sr). Geld dat onder een verdachte in beslag is genomen kan niet meteen ook maar als bijkomende straf verbeurd worden verklaard.







Lees meer

Aanhouding van zitting in verband met afwezigheid van advocaat



7 december 2017 - Kort voor een zitting verzoekt de advocaat het hof de behandeling van een zitting aan te houden in verband met haar verhindering. Voor de zitting laat het hof de advocaat weten het verzoek af te wijzen.
Vervolgens verschijnen de advocaat en de verdachte niet op de zitting en verklaart het hof de verdachte niet ontvankelijk in het ingestelde hoger beroep. In cassatie wordt geklaagd over deze gang van zaken.







Lees meer

Heling en witwassen van schilderijen indien gronddelict (verzekeringsfraude) pas daarna wordt gepleegd?



28 november 2017 - In 1987 is door een galeriehouder uit Maastricht aangifte gedaan van diefstal van 9 waardevolle schilderijen. Volgens het Hof Den Haag is deze diefstal geënsceneerd. Volgens het hof zijn de schilderijen in opdracht van de galeriehouder naar de woning van verdachte overgebracht met de bedoeling daar te worden verbrand zodat de galeriehouder daarna verzekeringsgelden (ongeveer fl. 5 miljoen) op kon strijken.
1 schilderij is verbrand, maar de overige 8 niet. Verdachte heeft de 8 schilderijen een aantal jaren thuis bewaard.
Eind 2008 zou verdachte via anderen de verzekerings­maatschappij hebben benaderd teneinde vindersloon te verkrijgen. Na bemiddeling van een privédetective is de verdachte met een aantal anderen vervolgens aangehouden.







Lees meer

Medeplegen, medeplichtigheid en uitlokking



17 november 2017 - Op 7 november jl. hebben twee advocaten-generaal conclusies genomen in zaken, waarin medeplegen respectievelijk medeplichtigheid bewezen is verklaard.
Daarnaast heeft de Hoge Raad op 14 november 2017 uitspraak gedaan in een zaak waarin het hof uitlokking van medeplegen van dubbele moord bewezen heeft verklaard.







Lees meer

Gerechtshof legt een te hoge straf op



Eerder is op onze website een blog geplaatst over een zaak betreffende overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet.
In cassatie is aangevoerd dat het hof aan verdachte een te hoge straf heeft opgelegd.







Lees meer

Wel of geen sporen van cocaïne?



10 november 2017 - In meerdere zaken die bij het hof Den Haag hebben gediend zijn aan een aantal verdachten overtreding van art. 10a Opiumwet ten laste gelegd.
Kort gezegd werden zij verdacht van het plegen van voorbereidingshandelingen door stoffen voorhanden te hebben waaruit cocaïne kan worden vervaardigd.







Lees meer

Grenzen aan verlengde in- en uitvoer van cocaïne



18 oktober 2017 - Eerder is op deze site gewezen op de conclusie van Advocaat-Generaal mr. T. Spronken van 4 juli 2017 in een zaak, waarin cocaïne Nederland was binnen gevoerd en (vervolgens) weer naar België was uitgevoerd.
In lijn met de verdediging in hoger beroep, in cassatie en de Advocaat-Generaal meent ook de Hoge Raad dat de bewezenverklaring niet deugt.







Lees meer

Bezwaarschrift Inkomstenbelasting en valsheid in geschrift



Het komt zelden voor dat de Hoge Raad een verdachte zelf vrijspreekt. Indien het hof een fout maakt met betrekking tot een bewezenverklaring zal de Hoge Raad de uitspraak in principe vernietigen en de zaak vervolgens terugverwijzen naar het hof.
Slechts in de zeldzame gevallen dat een vrijspraak de enige mogelijke uitkomst is, volgt direct vrijspraak. Op 3 oktober 2017 heeft zich deze situatie voorgedaan in een zaak omtrent aangifte inkomstenbelasting en valsheid in geschrift.







Lees meer

Opgelegde straf overschrijdt strafmaximum



Advocaat-Generaal mr. P.C. Vegter heeft op 19 september 2017 een conclusie genomen in een strafzaak (S 16/01701) betreffende kort gezegd overtreding van het verbod om zich op een weg zodanig te gedragen dat geen gevaar of hinder wordt of kan worden veroorzaakt ex artikel 5 Wegenverkeerswet.
Op grond van artikel 177 lid 1 WvW wordt overtreding van voornoemd artikel bestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie (op dit moment maximaal € 4.100,-). Het hof heeft verdachte echter veroordeeld tot hechtenis voor de duur van drie maanden.







Lees meer

Nieuwe ontwikkelingen levenslang



11 september 2017 - Op 5 september 2017 heeft Advocaat-Generaal Machielse een aanvullende conclusie genomen in een zaak omtrent de levenslange gevangenisstraf waarin de Hoge Raad op 5 juli 2016 een tussenarrest heeft gewezen. In dit tussenarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf op dat moment in strijd is met artikel 3 EVRM, maar dat kennelijk in de politiek voornemens zijn om wijzigingen aan te brengen ten aanzien van het beleid omtrent deze strafmodaliteit. De Hoge Raad heeft in afwachting van die voorgenomen wijzigingen de zaak aangehouden en de Advocaat-Generaal de gelegenheid gegeven op opnieuw te concluderen.
Machielse dient in zijn conclusie van 5 september 2017 kortgezegd de cruciale vraag te beantwoorden of er ‘inmiddels maatregelen zijn genomen die ertoe leiden dat in het Nederlandse recht een reële mogelijkheid is geschapen tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf, die met voldoende procedurele waarborgen is omgeven en die ook perspectief kan bieden aan de veroordeelde’.







Lees meer

Contact


Baumgardt Strafcassatie Advocatuur
Vasteland 78
3011 BN Rotterdam

Telefoon: 010 3100 270
Fax: 010 3100 274

E-mail: info@bacas.nl
E-mail mr. Baumgardt: baumgardt@bacas.nl
E-mail mr. Van Berlo: vanberlo@bacas.nl

KvK: 68913176
BTW: 857644907B01
Bank: NL76ABNA0247440663

Route


Tweets